Het oudste aandeel ter wereld

Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) 1606

Slechts 4 aandeel bestaan. De één hier getoond is het enige in particulier eigendom.
Het is afgegeven door de meest belangrijke kamer van de VOC, Amsterdam, bekleedt handtekeningen van belangrijke personen en zich in een zeer goede conditie.
Dit aandeel geïnspireerd ook het plot van het filmbedrijf “ Oceans twelve ”.

index.htmlindex.htmlEnglish Version here deutsche Version hier


Logo der VOC
Vereinigte Ostindische Companie (VOC) 1606
Die "Eendraght" vor Ijsselmonde, zweites Schiff der Le Maire-Expedition von 1615-1617 Ölgemälde von Aert Anthonisz (1618)

Afbeelding 1): Nederlandse Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC)
Betalingsbewijs #99, termijn van een aandeel; uitgegeven door de Camere Amsterdam, akte van 27 september 1606. Originele handtekeningen: Arent ten Grotenhuys en Dirck van Os, stichters van de Compagnie van Verre en vanaf 1602 bewindhebbers van de VOC-Kamer Amsterdam. Bron: Privé-verzameling

Contact met de eigenaars: voccontact at oldestshare.com

Herkomst Geschiedenis Literatur

 

Het oudste aandeel ter wereld

Herkomst:

Zoals aangetoond kon worden, bevindt het hier afgebeelde stuk zich sedert ettelijke decennia in verzamelaarsbezit. Bij het verwerven van het hier afgebeelde aandeel kon de jonge verzamelaar (en latere auteur) nog niet weten dat zijn "nonvaleur" zich eens tot een unicum zou ontwikkelen; zijn interesse ging uit naar alle waardepapieren die het begin van de naamloze vennootschappen illustreerden. Tot het begin van de jaren '60 vermoedde over het algemeen niemand dat oude aandelen, die de naam hadden niets waard te zijn, vandaar in het beursjargon ook nonvaleurs genoemd, ooit een tweede leven zouden beginnen. In de regel werden ze vergeten en om redenen van plaatsgebrek of bij verhuizingen vernietigd.
De eerste veilingen van historische waardepapieren ter wereld hadden in Duitsland vanaf het midden van de jaren '70 plaats. In de eerste jaren van de verzameltak van de scripofilie werden beginnende pogingen tot catalogisering ondernomen, internet of faxtoestellen bestonden nog niet. Informatie werd van verzamelaar tot verzamelaar op bijeenkomsten en in het kader van veilingen uitgewisseld.
Het was een tijd waarin afzonderlijke stukken ofwel heel snel massaproducten werden ofwel voor onbepaalde tijd uniek konden blijven, alles was mogelijk.
De kleine verzamelaarsgemeenschap kende elkaar, elk jaar doken er nieuwe papieren op, maar de transparantie was gebrekkig en dus schommelde ook de prijsvorming nog erg.
Na twee jaar opzoekingswerk liet de verzamelaar op basis van de toenemende transparantie in het jaar 1985 door een deskundige een attest voor zijn VOC-aandeel opstellen.
Na nog twee jaar kon hij er inderdaad van uitgaan dat, naast het bekende, tweede aandeel van de VOC (in het bezit van de Amsterdamse Beurs) en andere obligaties van de maatschappij, zijn stuk wellicht het oudste aandeel ter wereld is.
Trots presenteerde hij daarop in 1987 tijdens een tv-uitzending over de jonge discipline van de scripofilie onder andere ook zijn intussen beste stuk. In die uitzending werden aan de hand van voorbeelden uit twee collecties Duitse, Zuid-Amerikaanse en Nederlandse waardepapieren met hun bezitters aan de openbaarheid voorgesteld.
Om ouderdomsredenen werd de verzameling in 1999 opgeheven. Ook het aandeel van de VOC wisselde toen voor het eerst van eigenaar. Voordien werd een kopie van het document aan de expert voor het domein VOC, de heer Dr. Lodewijk Wagenaar van het Amsterdams Historisch Museum, voorgelegd. Hem was het stuk niet bekend en hij was meteen bereid een passende beschrijving ervan en een vertaling van het 17de-eeuws Nederlands op te stellen alsook een catalogusbeschrijving te vervaardigen, mocht het document geveild worden.
Enkele weken later kon het stuk direct verkocht worden. Zo wordt het nu voor de eerste keer via het internet aan de wereld voorgesteld. Teneinde de rechten van de eigenaar te garanderen wordt hier onder afbeelding 1) enkel een fragment van de voorpagina van het vier bladzijden tellende aandeel afgebeeld. Indossementen bevinden zich zowel op de binnenpagina als op de achterkant, die bovendien ook het nummer van het stuk en het registratienummervan het aandeel vermeldt.

Tot dusver eiste het stuk van de Amsterdamse Beurs het predikaat "oudste aandeel ter wereld" voor zichzelf op zonder hierin tegengesproken te worden; te koop is het vanaf het begin van de jaren '80 als nadruk met vertaling, uitgegeven door de Beurs van Amsterdam. Ook in de meest uiteenlopende publicaties over de VOC werd steeds het stuk van de Amsterdamse Beurs afgebeeld (o.a. Schmitz, Jakob, Historische Wertpapiere, Econ Verlag 1982, eerste oplage). Een goed voorbeeld hiervoor is eveneens het aanbevelenswaardige boek "EEN EEUW VOL EFFECTEN" van de auteur Prof. Dr. Joh. De Vries, uitgegeven naar aanleiding van de 100ste verjaardag van de Amsterdamse effectenbeurs in het jaar 1976, dat op de voorpagina en op bladzijde 16 het aandeel van de VOC van 8 december 1606 (Kamer Hoorn), en op pagina 18 de eerste effectenkoerslijst toont.

 


Geschiedenis:


De ontdekking van de zeeweg naar Indië - eertijds de naam voor Indië, Maleisië en heel Zuidoost-Azië - door de zeevaarder Dom Vasco da Gama in 1499 legde de basis voor de koloniale hegemonie van Portugal in de Indische Oceaan. In de volgende 100 jaar werden ca. 200 tochten rond Kaap de Goede Hoop naar het Oosten ondernomen. Beweegreden was allereerst de specerijenhandel; rond 1600 had men echter nog andere handelsobjecten in het Oosten ontdekt, die een belangrijkere plaats innamen dan kruiden. Maar ongeveer de helft van alle schepen, overwegend door Portugezen en Nederlanders uitgestuurd, kwamen terug. Gehinderd werden de Atlantische expedities vooral door de Ottomaanse Turken, die de West-Europeanen de toegang tot het oostelijke deel van de Middellandse Zee ontzegden. Ze waren uiteindelijk ook de oorzaak van de latere samensmeltingen en oprichtingen van Oost-Indische maatschappijen.
In 1580 verenigden de twee grote zeevaardernaties Spanje en Portugal zich. De dominantie van de Iberische mogendheden zorgde ervoor dat voor andere Europese staten de zeeweg naar Azië versperd bleef. De handel in Aziatische specerijen, vooral peper, was onderworpen aan de door het koningshuis vastgelegde "contracten", waaraan contracthandelaars (Contradores) zich, in de vorm van vastgelegde prijzen voor hun waren, moesten houden. Zij verkochten dan hun waren aan detailhandelaars zoals bijvoorbeeld het in Lissabon gevestigde Nederlandse handelshuis Cunertorf & Snel, dat op zijn beurt via handelsvertegenwoordigingen in Antwerpen de Noord-Europese markt bevoorraadde. Grote winsten konden op die manier echter niet meer behaald worden, de kruiden werden dan ook goedkoper.

Reeds aan het einde van de 16de eeuw besloten Nederlandse kooplieden in verschillende steden de invoer van peper uit Azië zelf in handen te nemen. Ter financiering van de schepen en hun uitrusting ontstonden zogenaamde voorcompagnieën, bv. de Brabantse Compagnie, de Rotterdamse Compagnie, de Compagnie van Verre, die wederom met de Tweede Compagnie in Amsterdam fuseerde en vanaf dan Oude Compagnie genoemd werd. Deze voorcompagnieën rustten binnen nauwelijks enkele jaren 65 schepen uit, verdeeld over 15 vloten, waarvan er tenslotte ca. 50 volgeladen met koopwaar terugkwamen. Ze bevochten de Portugezen, de Engelsen, maar ook elkaar. Het gevolg was een enorme daling van de specerijprijzen. In zoverre waren het vooral economische redenen die de Nederlandse kooplieden ertoe aanzetten om samen te werken; het verstand verlangde een nationale samensmelting.

Op 20 maart 1602 fuseerden op initiatief van de "landsadvocaat" van de provincie Holland Johan van Oldenbarnevelt (1547-1619) en de latere gouverneur-generaal Graaf Johan Maurits van Nassau (1604-1679) de "voorcompagnieën" van Holland tot een grote maatschappij met als naam Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) . De nieuwe maatschappij kreeg van de Staten-Generaal een vrijbrief die haar soevereiniteitsrechten verleende, die voor de toekomstige ontwikkeling van groot belang waren.
Deze maatschappij betekent de doorbraak van de eerste en spoedig beslissend blijkende wereldwijd dominerende grootste handelsvennootschap van die tijd. De VOC vertoonde reeds fundamentele kenmerken van de moderne naamloze vennootschap (NV) en gaf daarmee uiteindelijk de aanstoot tot de latere economische en financiële geschiedenis.

Het bestuur van de vennootschap was aanvankelijk in handen van zes kamers (vestigingen) in belangrijke handelssteden: Amsterdam als zwaartepunt, Zeeland, Delft, Rotterdam, Hoorn en Enkhuizen.
Elke kamer leverde haar eigen bewindhebbers voor het in totaal 75-koppige algemeen bestuur, waaruit dan het eigenlijke dagelijks bestuur gekozen werd ("de Heren XVII").

Het oorspronkelijk bijeengebrachte aandelenkapitaal bedroeg 6.424.588 gulden, een fenomenale som naar toenmalige verhoudingen.
Doorslaggevend voor het succes van de kapitaalverwerving was het besluit van de oprichters de inschrijving voor het brede publiek te openen en de eigenaars van aandelen als vennoten op te nemen.
Zo werden de aandelen , meestal tegen een nominale waarde van 3000 gulden, spoedig aan de man gebracht. Handel in aandelen was mogelijk, want elke Nederlander kon ze kopen en ook weer verkopen. Niet de regering van het moederland bepaalde de koers, maar een onafhankelijke, in winst geïnteresseerde naamloze vennootschap.
De deelnemers (vanaf ca. 1606 aandeelhouders genoemd) moesten het ingetekende kapitaal in vier termijnen afbetalen, die door de VOC tussen 1603 en 1606 opgenomen werden.
Voor een gedeeltelijke betaling van de nominale waarde van het aandeel ontving iedereen die participeerde (aandeelhouder) een betaalbewijs (part), zoals het ook nog meer dan 100 jaar later gebruikelijk was bij de Engelse East India Company. Aandelencertificaten die de stand van betaling en bezit aantonen, zoals we ze vandaag kennen, werden niet uitgegeven, maar in het aandelenregister van de vennootschap ingeschreven.
De koop en verkoop van aandelen gebeurde door registratie in het aandelenregister van de VOC op naam van de koper in aanwezigheid van twee bewindhebbers, die de aandelenoverdracht met hun originele handtekening bevestigden. Zo werd het Amsterdamse kantoor van de VOC door de handel in eigen aandelen de "eerste aandelenbeurs" ter wereld.
Het stichtingskapitaal van de VOC werd, buiten enkele kleine aanpassingen tot uiteindelijk 6.440.200 gulden, nooit verhoogd.
Veeleer voorzag de vennootschap in een accute behoefte aan kapitaal door de uitgave van obligaties met een looptijd van 3 tot 12 maanden. Later, vanaf 1655, werd ook kapitaal voor langere termijnen opgenomen, zodat bij momenten het vreemd vermogen 10 tot 12 miljoen gulden bedroeg.
Het octrooi (staatsprivilege) verleende de maatschappij uitgebreide rechten, zoals het monopolie op de handel ten oosten van Kaap de Goede Hoop, in naam van de Staten-Generaal onderhandelingen te voeren, overeenkomsten en allianties af te sluiten, vestingen op te richten, gouverneurs te benoemen en het onderhouden van een eigen leger. Op die manier werd de vennootschap een "staat in de staat", die over een ongelooflijke commerciële en politieke macht beschikte, volledig soeverein van de staat, die haar zelfs het privilege verleende een eigen munt te slaan.

Het Oost-Indische kwartier van de VOC werd in Batavia op Java opgericht, de Portugezen werden uit Ceylon en Malakka verdreven en in Zuid-Afrika werd de eerste blanke kolonie opgericht.
Hobhouse, Henry: "Uiteindelijk heerste de VOC over acht buitenlandse gouvernementen in Amboyna, Banda, Ternate, Macassar, Malakka, Ceylon, Java en aan Kaap de Goede Hoop. Factorijen stonden in Bengalen, aan de Koromandelkust, in Surat, Thailand en aan de Perzische Golf. Ten slotte was de Nederlandse Oost-Indische maatschappij de rijkste onderneming van de wereld; ze hielp de bloeitijd van de Nederlandse beschaving te financieren: Rembrandt, Vermeer, Frans Hals, Vondel, Grotius, Spinoza, het wereldwijd grootste uitgeversbedrijf van de 17de eeuw met talloze, vandaag vergeten en minder belangrijke auteurs en dichters, al de schilders, architecten en vooral de mecenassen.
Tot haar ondergang was de VOC heer en meester over 150 handelsschepen, 40 oorlogsschepen, 20.000 zeelieden, 10.000 soldaten en bijna 50.000 burgers in loondienst; daarenboven speelde ze het klaar dividenden van 40% te genereren. De afgunst van alle rivalen was verzekerd.
Haar handelswegen verbonden Japan, China, Indië, de Perzische Golf, Afrika en Europa en al deze landen met Amsterdam.
Aan de Perzische Golf ruilde ze specerijen tegen zout, in Zanzibar zout tegen kruidnagel, kruidnagel tegen goud in Indië, in China goud tegen thee en zijde, zijde tegen koper in Japan, koper tegen specerijen op de Zuidoost-Aziatische eilanden. De hele handel binnen Azië was haast zo winstgevend als de hoofdactiviteiten tussen het Oosten en Europa. Prachtig gedijde de maatschappij ondanks de verliezen door piraten - de gesel van de Chinese Zee - , weersomstandigheden, Europese rivalen, corruptie, inefficiëntie, diefstal en ziekten. De VOC kende geen scrupules: ze bouwde monopolies op, vernietigde lokale concurrenten en dreef de prijzen voor de voornaamste specerijen met 180% de hoogte in."
Tot het midden van de 18de eeuw slaagde de VOC erin haar dominante positie in economisch en politiek opzicht te behouden, ze groeide uit tot de grootste monopolistische maatschappij van haar tijd en was bovendien tot op dat moment de eerste Europese macht in Indië. Na 198 jaar bestaan werd de vermoedelijk belangrijkste onderneming in de geschiedenis van de wereldhandel op 31.12.1799 opgeheven. Tengevolge van wanbeheer waren schulden van 110 miljoen gulden ontstaan, die door de Nederlandse staat overgenomen werden.
Niet enkel de "Verenigde Oost-Indische" heeft als moeder van alle naamloze vennootschappen geschiedenis gemaakt, maar ook haar aandelen.
Nog voor alle aandelen verhandeld waren, noteerde de koers 10% tot 15% boven de nominale waarde, reeds in 1622 lag de koers van het aandeel op 300%, in 1720 op het hoogtepunt van de speculatie op meer dan 1200%. Toen in 1781 de moeilijkheden van de vennootschap publiekelijk bekend werden, zakte de koers tot op 25%. Het dividend bedroeg gemiddeld 18% per jaar, het hoogste dividend werd in 1606 met 75% uitgekeerd. De deelnemers ofte aandeelhouders ontvingen hun dividenden niet regelmatig en niet altijd in contant geld, maar gedeeltelijk ook in specerijen, obligaties van de maatschappij of staatsobligaties. Schmitz-Jakob: "Al gauw noemde de volksmond de heren aandeelhouders "de peperzakken van Amsterdam", een behoorlijke balans - laat staan een wereldbalans zoals we die vandaag kennen -hebben de aandeelhouders echter nooit gezien. Na de opheffing van wat eens de machtigste handelsvennootschap ter wereld was, werd gezegd dat de VOC was Vergaan Onder Corruptie - althans dat beweerden de Hollanders." (translation : Tom van Bogaert)

tekst Reinhild Tschöpe

Wij danken Mevr. Tschoepe voor deze informatietekst


 

 


webmaster@oldestshare.de